Investeren in flex loont

Het scholen van flexkrachten kent alleen maar winnaars: de flexkracht, de inlener én het uitzendbureau. Zegt uitzendbureau UBN. Waarom doen zoveel andere bureaus dit dan niet?


Werkgevers en uitzendbureaus steken nauwelijks tijd en geld in de scholing van flexwerkers, meldden onderzoekers van de Universiteit van Maastricht onlangs. Het is geen nieuw geluid. Andere partijen gingen hen voor, onder wie directeur Adriana Stel van de Stichting Opleiding en Ontwikkeling Flexbranche (STOOF, dat overigens vanaf 1 januari aanstaande na een fusie DOORZAAM gaat heten). Zij stelde eerder in dit blad dat gemiddeld 14 procent van de flexkrachten een opleiding van de baas volgt, tegenover gemiddeld 48 procent in andere sectoren. De reden hiervoor volgens vrijwel alle partijen? De kosten en onzekerheid over de investering in verband met een mogelijk aanstaand vertrek van de flexkracht.

Scholing en ontwikkeling kosten inderdaad geld, en zekerheid dat uitzendkrachten zich lang aan een opdrachtgever verbinden is er nooit. Dit laatste is namelijk inherent aan het fenomeen flexkrachten, van wie bekend is dat het overgrote deel in de eerste plaats zoekt naar meer zekerheid.

Langdurige relaties

Het een sluit het ander echter niet uit, zo getuigen de ervaringen bij UBN. Deze in 1991 opgerichte uitzender stuurt aan op langdurige relaties, vertelt Robert Klaassen, manager van onder meer de inhouse-vestiging van UBN bij sauzen- en margarinefabrikant Remia in Den Dolder. ‘We zien onszelf als tussenstop tussen de flexkracht en de werkgever. We hebben immers te maken met een krappe arbeidsmarkt en bedienen feitelijk twee klanten: het inlenende bedrijf én de flexkracht. We willen beide partijen aan ons binden. Daar investeren we dan ook in. Door tijd en energie te steken in scholing maken we beide partijen blij. Bovendien onderscheiden we ons zo van andere uitzendbureaus die dit niet doen.’

Klaassen legt uit hoe deze visie in de praktijk uitpakt. ‘We bieden onze flexkrachten cursussen Nederlands op de werkvloer aan, heftruckopleidingen, veiligheidstrainingen, certificeringstrajecten, noem maar op. Hiermee stomen wij de flexkracht klaar om vervolgens in vaste dienst te kunnen treden bij Remia.’

Grijp die kans!

Ben jij ook uitzendkracht en wil jij je – net zoals iedere andere werknemer – verder ontwikkelen? Vraag je uitzendbureau of inlener dan naar de mogelijkheden. Want die zijn er genoeg. Daarover hebben de werkgevers en de vakbonden afspraken gemaakt in de cao (zie het artikel hiernaast). Ook hebben de partijen geld gereserveerd voor het opleidings- en ontwikkelingsfonds STOOF. Zo kan je als uitzendkracht een scholingsvoucher aanvragen ter waarde van 500 euro, onder meer via je FNV-bestuurder, die je bijvoorbeeld kan gebruiken voor een taalcursus. Of een zogenoemde Praktijkverklaring, waarbij werknemers op de werkvloer worden beoordeeld en hun vaardigheden worden beloond met een certificaat. Ook is er een Diplomaroute waarbij uitzendkrachten een MBO2-diploma kunnen halen, zonder dat ze daarvoor naar school hoeven. Ook faciliteert STOOF bij diverse scholingssubsidies van de rijksoverheid, zoals voor cursussen Nederlands op de werkvloer.


Meer weten?

Kijk op www.stoof-online.nl en klik door naar Tegemoetkomingen en/of Subsidies. Of bezoek www.stoof-opleidingsportal.nl/uitzendkracht.

Percentage van loonsom

UBN betaalt de opleidingskosten uit de in de ABU-cao vastgelegde 1,02 procent van de loonsom die uitzendbureaus verplicht moeten besteden aan scholing. In ruil voor de opleidingsinspanningen vraagt UBN van de flexkracht zijn of haar loyaliteit in een overeenkomst vast te leggen en minimaal een half jaar bij Remia te blijven werken. Klaassen: ‘Vaak wordt dat aanzienlijk langer, want veel mensen stromen door naar een vaste baan en blijven hier vervolgens jaren en jaren werken. Al met al is hiermee de flexkracht blij, Remia blij, en wij blij. Dat is denk ik de kracht van onze nu al jaren durende samenwerking. Duurzame relaties in de flexsector zijn dus zeker niet onmogelijk.’

Robert Klaassen: ‘We willen beide partijen aan ons binden. Daar investeren we dan ook in.’